Leeftijd, het is een raar iets. Dat ik me er geen bal van aantrek, mag duidelijk zijn. Maar iedereen wil wel weer jong zijn. Vooral wanneer de ouderdom met gebreken, komt, zoals het spreekwoord luidt.
Sinds ik zonder werk zit, werk ik als vrijwilliger in het verzorgingstehuis, in ons dorp. Gewoon, om mijn horizon te verbreden op het gebied van werk, maar ook op sociaal niveau. Ik werk daar op een psychogeriatrische afdeling, waar voornamelijk dementerende ouderen zitten. Nu ik daar al een poosje mee draai, merk ik steeds meer het verschil tussen de mensen; de ene weet echt niets meer, en praat zelfs niet meer. De ander kan zomaar uit een spatten van woede. Vaak is het maar net hoe de wind staat; de ene keer kan je met ze praten en lachen, het volgende moment kunnen ze je wel aanvliegen.
Doorgaans zijn de mensen de tachtig gepasseerd. En dan ben ik natuurlijk maar een ‘broekie’.
Gister was één van de heren op ‘mijn’ afdeling jarig. Vandaag zocht ik hem eventjes op om hem te feliciteren, maar ik was mij wel degelijk bewust, dat de mogelijkheid bestond dat hij dit zich niet meer kon herinneren. Vrolijk kom ik de huiskamer binnenlopen.
“Goedemorgen, allemaal!”
De helft zit nog een beetje te dutten. Ik ga aan de tafel zitten en kijk toe hoe mevrouw een slokje van haar thee neemt. Ze geniet oprecht.
“Amai, das ‘nen lekker kupske thee. Och, het is zo naar dabuiten, mijn meske. Ge blief moar lekker binnen, hoor. Asse ge subiet noar buiten get, kleede oe goed werm. Voor je het weet hedde ut te pakken, eej.”
Verrassend genoeg, versta ik tegenwoordig dit taaltje prima. Dan valt de lege plek tegenover haar stoel me op. Daar zit altijd haar man. Na even te twijfelen – want je weet het niet – vraag ik het haar toch maar.
“Dat komt goed, hoor, maakt u zich maar geen zorgen. Zeg, waar is uw man trouwens? Was hij niet gister jarig?”
Kans om te antwoorden had ze niet; haar man kwam nét van buiten. Hij had een sigaartje gerookt.
“Goedemorgen, meneer!”, begin ik, “was u niet gisteren jarig?”
“Jawel, jawel. Da’ was ‘nen goe feest, ist nie moeke?”, antwoord hij.
“Zeker, zeker…”
“Van harte gefeliciteerd, dan nog he? Zeg, hoe oud bent u eigenlijk geworden, dan?”
“Och ja, ik ben gester 40 geworden, zuster!”, antwoordde hij met glinsteringen in zijn ogen.
“40?!”, antwoordde ik verrast en vol ongeloof.
Hij begint te lachen. Wat een schik had hij. Nog keek ik verbaast.
“Och meske, ik neem oe in de maling. Ik mogtan wel vergeetachtig zén, maar ik wee’ dat ik 80 ben geworre. Het dubbele van 40, he!”
Spontaan moet ik lachen. Dit zijn de momenten dat je het werk daar zo waardeert. Meneer schenkt mij een kopje koffie in, verontschuldigt zich, want de taart was gister al op.
Spontaan ontstaat er een raadspelletje tussen de bewoners, verpleging en vrijwilligers. Vaak als je de cijfers van je leeftijd omdraait, ‘word’ je jonger. Zo rolden de cijfers door de kamer; 18, 95, 54, 76, 71 en 3.
“Drie?!!! Huh… Hoe kan je op drie uitkomen dan?”
“Ik ben 30″, antwoord ik.
“Och, ik dacht dat jij een jaar of 20 was!”, zegt een verpleegster.
Ineens komt er uit de stille hoek geluid.
“Als ik mijn leeftijd omdraai kom ik op hetzelfde uit.”
“Oh, hoe jong bent u dan, mevrouw?”, vraag ik.
“Honderd en…ÉÉN”
Hahaha, erg leuk! Ik kan het me zomaar voorstellen! Die oudjes kunnen ook zo schattig zijn, maar… ook heel erg niet!